Microfinanciering in ontwikkelingslanden

Veel onderzoek is gedaan naar de impact van microfinanciering. De meeste studies zijn gedaan op household niveau. Merkwaardig genoeg is er nog heel weinig onderzoek gedaan naar de vraag hoe microkredieten uiteindelijk uitwerken in de lokale economie. De meso en de macrokant blijven onderbelicht. In studies wordt het ‘succes’ meestal uitgedrukt in aantallen miljoenen of zelfs miljarden die zijn uitgezet en wat de terugbetaal-ratio daarbij was. Dat zijn natuurlijk belangwekkende kengetallen, maar daarmee is nog niet duidelijk wat de leners er precies aan hebben gehad. En dan denk ik niet alleen aan het persoonlijke element – ten koste van wàt is er bijvoorbeeld terugbetaald – maar vooral ook aan de aspecten die ik net noemde: droegen de kredieten daadwerkelijk bij aan min of meer duurzaam, gemeenschappelijk gedragen ondernemerschap?

Grote bos van bananen op de verkoop in de markt
bananenoogst: er is niet veel nodig om
productief te zijn
Auteursrecht: Paweł Opaska – 123RF Stockfoto 

Het onderzoeken van dit effect van microkredieten zal een hele klus zijn. Alleen al het formuleren van de criteria die je zou moeten aanleggen is niet eenvoudig. Een hoge omzet en een hoge terugbetaal-ratio vormen in elk geval niet het doel, maar wat dán precies? We zouden willen dat microkredieten en –verzekeringen bijdragen aan duurzame ontwikkeling waarin mensen met allerlei kennis en allerlei talent kunnen bouwen aan hun eigen bestaan.

De missie van microfinanciering instellingen

Vanuit die ‘missie’ is het ook dat veel ontwikkelingsorganisaties in micro-kredieten zijn gestapt. Niet zonder risico, want je gaat leningen verstrekken aan mensen die blijkbaar door de bestaande commerciële banken niet bediend werden. Belangrijk is dan ook de vraag waarom er ter plaatse blijkbaar dit gat in de markt is. Is er domweg geen goed functionerende micro financiële dienstverlening aanwezig en/of zijn er andere institutionele belemmeringen die je met een specifiek microkredietbeleid kunt doorbreken? Zo kunnen microkredietinstellingen die zich bewust richten op specifieke doelgroepen, zoals vrouwen of moeders, bij uitstek geschikt zijn om ‘de markt’ c.q. de cultuur te corrigeren c.q. belemmerende verticale verhoudingen te doorbreken. Blijft de waarschuwing staan dat microkredietinstellingen volstrekt zakelijk zullen moeten opereren. Als er een charitatief element insluipt en de kredietverschaffer als puntje bij paaltje komt weke knieën krijgt is het hek al gauw van de dam en zal van duurzame kredietverlening geen sprake meer zijn.

We kennen ook allemaal het voorbeeld van Yunus, die met zijn Grameen Bank heel bewust speelde op een collectieve verantwoordelijkheid van zijn ‘klanten’ om het systeem middels onderlinge disciplinering hanteerbaar te houden. Yunus hield de kredietverlening echter wél in eigen hand en is daarmee eigenlijk te beschouwen als een commerciële partij, waarmee ik overigens niets af wil doen aan zijn oprechtheid als social venturer. Een stap verder gaat het fenomeen van coöperatieve credit unions, waarbij de verantwoordelijkheid geheel bij de klanten ligt omdat die klanten tevens zelf eigenaar zijn van de credit union. De implicatie daarvan is dat je niet alleen de lener bent maar ook de uitlener. Je staat aan beide kanten van de lijn.

Vanwege de claims die vrienden, verwanten, clangenoten geneigd zijn te leggen op financiële middelen van ondernemers is het uiterst belangrijk dat ondernemers er op kunnen wijzen dat zij onontkoombare verplichtingen hebben jegens de coöperatie. Daarnaast is het ook ‘handig’ als vrienden en verwanten niet precies weten wanneer je over meer contanten beschikt. Deze overwegingen gelden extra voor micro ondernemers in armoede milieus.

Lessen uit het verleden

Reeds in de zeventiende en achttiende eeuw kenden Engeland en Ierland al dan niet filantropische leenfondsen en anderhalve eeuw terug stichtte Friedrich Wilhelm Raiffeisen een boerenleenbank. Bedoeld voor mensen waar de toenmalige reguliere banken domweg geen belangstelling voor hadden omdat het dorpse agrarische leven voor hen een ver-van-mijn-bed-show was: het ging om een business waar ze geen verstand van hadden, een cultuur waar ze geen verstand van hadden; en om risico’s waar ze geen verstand van hadden. Het resultaat was dat geld uitlenen in de dorpen het domein was van opportunistische handelaren die bij het ontbreken van serieuze concurrenten woekerwinsten konden maken en aan hun leningen ook graag een stuk gedwongen winkelnering koppelden. Puur dat feit maakte – en dan stap ik even over naar de vraagzijde – dat lenen niet bepaald tot de basisattitudes van de toenmalige dorpelingen behoorde. Lenen betekende bij voorbaat verliezen: het was bijna letterlijk een ‘armoedefuik’ en diende dus tot elke prijs voorkomen te worden.

Ik denk dat dat element in de coöperatieve geschiedschrijving wel eens onderbelicht is gebleven: als mensen de ervaring hebben dat lenen tot ellende leidt zal zelfs een bonafide bank weinig weerklank vinden. Zeker in financiële dienstverlening moet vertrouwen de basis zijn. En precies dááraan appelleerde Raiffeisen:

Laten we het geld dat in onze eigen vertrouwde gemeenschap aanwezig is onderling zodanig uitlenen dat degenen die daar baat bij hebben vooruit kunnen.

En als lokale gemeenschap[*] zijn we heel wel in staat om elkaar in de gaten te houden en te disciplineren: aan de aanbodzijde moeten mensen niet kunnen woekeren, en aan de vraagzijde moeten mensen geen misbruik kunnen maken.

De leningen waren van kleine omvang en de gemiddelde duur was 6 jaar. Winsten werden aangewend ter versterking van het eigen vermogen. Binnen een kwart eeuw waren er 14.550 met 1,4 miljoen leden. Ze functioneerden dus zeer lokaal, met gemiddeld honderd leden per bank.

In bredere ontwikkelingstermen gesproken, voegde het coöperatieve krediet een element toe aan het instrumentarium dat een kleine boer ter beschikking stond om zijn bedrijf verder te brengen. Het bood uitzicht op het doen van investeringen. In eerste instantie letterlijk het aankopen van zaad om volgend jaar te kunnen oogsten.

Geen hulp dus maar, zoals Raiffeisen het formuleerde, zélfhulp.

Wel solidariteit – je moet elkaar immers kunnen vertrouwen – maar verder ‘welbegrepen eigenbelang’.

De coöperatie is er niet om zielige leden te bevoordelen. Een tweede belangrijk punt was dat de credit union een structureel onderdeel was van de (lokale) gemeenschap van leden. De baten verdwenen niet in de vorm van winstuitkering naar elders en er was ook niet het gevaar dat de kredietverlening kon stokken als de directie (NGO, overheid of anderszins) andere prioriteiten zou kunnen gaan stellen. Alles wat in de credit union zit, blijft ter beschikking van de leden.

[*] Er was dus een lokale gemeenschap, een gemakkelijk vergeten voorwaarde voor succes.

Download PDF
E-Boek versies van : Microfinanciering in ontwikkelingslanden

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

Gerelateerde berichten

We zien graag uw reactie